Trierstraat 67, 1040 Brussel info@privaatbeheer.be +32 (0)2 217 27 40

APB-NB

3160 Dystrofe natuurlijke poelen en meren

“Vennen met bruin water”

Dit habitattype komt voor in mineraalarme, zwak tot sterk zure vennen met een stabiel waterpeil. Vaak ontbreekt een echte vegetatie of bestaat deze enkel uit Blaasjeskruid en veenmos. Het bruine uitzicht wordt veroorzaakt door de in het veen aanwezige humuszuren. De waterbodem bestaat meestal uit venig materiaal, maar kan soms ook zandig zijn. Het habitattype kan enkel in stand gehouden worden indien er geen al te grote fluctuaties van de watertafel optreden. Hierdoor zijn heidegebieden het meest aangewezen. Vandaag zijn de bruinwaterige venen eerder zeldzaam in Vlaanderen, nog te vinden in de vennen van de Kalmthoutse Heide, de Mechelse Heide, de Ruiterskuilen, e.a.

Flora 

Sleutelsoorten: Drijvende egelskop (Sparganium angustifolium), Kleinste egelskop (Sparganium natans), Waterveenmos (Sphagnum cuspidatum), Klein blaasjeskruid (Utricularia minor), Bleekgeel blaasjeskruid (Utricularia ochroleuca)

Nevensoorten: Draadzegge (Carex lasiocarpa), Slijkzegge (Carex limosa), Veenpluis (Eriophorum polystachion), Bruine snavelbies (Rhynochospora fusca), Witte snavelbies (Rhynochospora alba)

Fauna

De aanwezige soorten komen meestal ook voor in andere zure wateren en veenmossen. Enkele libellensoorten vertonen een zekere voorkeur voor dit habitattype (Noordse glazenmaker, Venglazenmaker, Venwitsnuitlibel en Dwergjuffer). Van nature zijn vissen en weekdieren afwezig.

Beheer

Alvorens een beheerplan op te stellen is het van groot belang de hydrologische en eventueel historische context van het ven te kennen, zeker bij verzuurde vennen. De belangrijkste bedreigingen zijn vermesting, verzuring, verdroging en aanvoer van mineraalrijk water.

Herstellen en behouden van het hydrologisch regime en de waterkwaliteit kan gebeuren door een zuivering van het infiltratiegebied en het aangevoerd oppervlaktewater (ter plaatse zuiveren, verontreinigde grond afgraven dan reinigen en vervolgens terugstorten of afgraven en afvoeren). Daarnaast moet contact met vervuild oppervlaktewater zeker vermeden worden. Dit kan gebeuren door het dichten van greppels of buizen of het tegengaan van oppervlakkige afstroming vanuit landbouwgebied. Verminderen van waterwinning in de omgeving zal de natuurlijke waterpeilschommelingen en toevoer van meer geschikt grondwater herstellen.

Een vaak toegepaste herstelmaatregel bij verzuurde, verdroogde of geëutrofieerde vennen is het verwijderen van de modderlaag (bezonken organisch materiaal) tot op de minerale bodem of het vaste veen. Deze laag neemt onder normale omstandigheden zeer traag toe maar kan door verzuring, verdroging of eutrofiëring snel aandikken. De dikke laag kan verzurende stoffen opslaan die na het herstel opnieuw tot eutrofiëring zullen leiden. Hierdoor is het in de meeste gevallen noodzakelijk de volledige laag te verwijderen. Het meest nauwkeurig wordt het slib verwijderd na het droogleggen van het de plas. Droogleggen zal ook een positief effect hebben op de kieming van waterplanten, maar kan leiden tot verlies van verschillende diersoorten. Dit verlies kan eventueel vermeden worden door de plas op te delen door tijdelijke dijkjes en de uitgraving in fasen uit te voeren.

Door contact met mineraalrijk water zal de oevervegetatie vergrassen (Pijpenstrootje, Lisdodde, Riet,…). Hierdoor zullen open structuren dichtgroeien met eventueel verlies van kenmerkende soorten. Om dit tegen te gaan kan men plaggen (verwijderen van de mineraalrijke bodemtoplaag). Meestal volstaat het verwijderen van 1 tot 2 decimeter strooisel en humus (afhankelijk van de ligging van de zaadbank). Het plaggen moet cyclisch worden toegepast en is zeer plaatsafhankelijk. Plekken met een hoge moerasvegetatie of strooiselopslag zullen sneller opnieuw geplagd moeten worden (5-15 jaar) dan niet geëvolueerde zones die geen plagbeheer vragen.

Eventueel kan men ook kruidruimen (afschrapen van de oever) of maaien, waarmee de ontwikkeling van sterk competitieve moerasplanten wordt tegengegaan verdere successie naar rietmoeras wordt vermeden. Deze maatregel wordt jaarlijks tot min. 10 jaar herhaald, afhankelijk van de successiegraad.
Bosopslag en aanplant rond de vennen zorgen voor strooiselaanvoer(meer slibvorming en verzuring) en een verstoring van de natuurlijke winddynamiek. Grotere bomen, verspreid langs het ven kunnen verschillende diersoorten herbergen, maar bevorderen ook de verbossing en verlanding. Men streeft naar een open uitzicht, waarbij slechts enkele bomen (0-5) of boomgroepjes (0-1) per hectare overblijven.

Om de ecologische toestand te verbeteren kan men droogzetten en afvissen(verwijderen van een groot deel van het visbestand). Droogzetten geeft het grootste resultaat in plassen zonder waterplanten, met troebel water en een overmatig visbestand. Deze maatregelen kunnen leiden tot een snelle verschuiving in de samenstelling van de biotische gemeenschap en worden best samen uitgevoerd (eerst gedeeltelijk legen, vissen verzamelen met sleepnetten, vervolgens volledig legen).

Exoten (zowel flora als fauna) worden best verwijderd om het herstel van het gedegradeerde systeem zo goed mogelijk na te streven.

Het is aangeraden de kwetsbare vegetaties na een ingreep tijdelijk af te schermen voor grazende watervogels.

Foto: Ecopedia.be